Delft heeft een compacte binnenstad vol grachten met lindebomen, smalle bruggetjes en grachtenpanden. De stad gaf haar naam aan het Delfts blauw, het blauw-witte aardewerk, en was de woonplaats van Johannes Vermeer. Hij werd hier geboren en bleef er zijn hele leven wonen.
Het hart van de stad is de Markt. Aan de ene kant staat het stadhuis met zijn rijk versierde renaissancegevel, aan de andere kant de Nieuwe Kerk. Onder die kerk ligt de grafkelder van het Huis van Oranje-Nassau, waar Willem van Oranje en de Nederlandse koningen begraven zijn. Rond het plein liggen winkelstraten met kleine zaken en cafés.
Vermeer groeide op aan diezelfde Markt, waar zijn vader de herberg Mechelen dreef. Aan de Voldersgracht, vlak achter het plein, stond het gildehuis van het Sint-Lucasgilde, waar hij als schilder lid van was. Een paar grachten verder ligt het Prinsenhof, het voormalige Sint-Agathaklooster aan de Oude Delft. Willem van Oranje woonde daar en werd er ook vermoord.
Tussen de grachten liggen hofjes: binnenplaatsen met lage huisjes rond een tuin, achter een poort in de straat. Ze laten zien hoe de stad eeuwenlang voor ouderen en alleenstaanden zorgde. Loop zacht, want er wonen nog altijd mensen.
Bier was eeuwenlang een van de belangrijkste producten van Delft. Langs de Oude Delft, de oudste gracht van de stad, stonden brouwerijen tussen de koopmanshuizen. Voor een glas ga je naar de Beestenmarkt, een plein met hoge bomen en terrassen aan alle kanten.